bangeriken

posted in: Hersenspinsels | 0

We groeien allemaal op tot even grote bangeriken. Ik generaliseer nu en schuif de skydivers en bergbeklimmers van deze wereld even aan de kant. Ik was vroeger een kwajongen, een tomboy die overal op klauterde en van elke steen sprong alsof het een kiezeltje was. Granted, er waren momenten wanneer grote-broers-van me uit bomen moesten redden omdat ik omsingeld werd door een leger mieren, maar over het algemeen was ik een daredevil.

Gevolgd door meerdere blutsen en builen, maar toch minder geschaafd dan hoe ik tegenwoordig soms door het leven moet stappen. (Onze livingdeur heeft het niet voor mij en ook de trap is een van mijn aartsvijanden. En dan zwijg ik nog van alle levensgevaren die op dikke-teen-hoogte loeren.) Maar goed, een kind is onbevreesd. Beste voorbeeld is een baby die bijna stikt van plezier wanneer je het de lucht ingooit en opnieuw opvangt. Baby heeft geen idee dat je hem zal vangen. Baby heeft anderzijds ook geen idee dat hij kan vallen. En dat dat eventueel ook eens pijn kan doen enzo.

Misschien is het een combinatie van onwetendheid en eeuwig vertrouwen in die grote humane levensvormen rondom een kind, dat maakt dat het zich zo onaanraakbaar waant. Een kind zonder eelt op ziel en voetjes kan nog niet weten dat er gevaren verbonden zijn aan leven.

Om zwaar jaloers op te worden, die ongeschonden en volledig vrije kindergedachten. Begrijp me niet verkeerd, ik ben blij om de gewonnen wijsheden en waarheden die ik tot nu toe al mocht vergaren. (En waarover ik waarschijnlijk binnen een jaar of 10 opnieuw met mijn ogen zal moeten draaien, zoals ik nu doe met de overtuigingen van mijn 16 jarige zelf.)

Maar ik kan jaloers zijn. Op alles nog eens nieuw te mogen zien. Zoals met je favoriete boek/film/serie/game/whateverfloatsyourboat, eens je er de laatste minuut mee hebt doorgebracht, borrelt er ergens spijt op, dat je dit nooit nog voor de eerste keer kan beleven.

Er moet toch een gulden middenweg bestaan tussen volwassen doodsangsten en kinderlijke onbevreesdheid. Als ik nu nog van een steen spring, wil ik onbeheerst en zonder bedenkingen duiken. Maar voor ik spring hoor ik dat stemmetje dat zegt dat ik toch wel een paar benen heb die kunnen breken, en eerlijk gezegd is mijn rug ook niet meer ok. Of op een paar skates staan en toch niet meer de jumpkes durf doen, waar mijn 10 jarige zelf haar hand niet voor omdraaide.

En ’t is niet dat die jongedame zoveel meer evenwichtszin had dan de huidige versie, da’s een talent dat ik nooit heb bezeten. Maar toch, spring af en toe eens. Of kijk eens naar iets wat je dagdagelijks ziet, maar dan in groot detail. Ik denk dat we allemaal wat meer zouden glimlachen, als we af en toe eens meer bleven stilstaan en leerden onbevangen zijn. Ik denk dat de wereld schoner zou kunnen zijn, als we leren van onze kinderen, hoe contradictorisch dit ook mag klinken.